Wetenschappers hebben het afgelopen jaar overuren gedraaid om het verschijnsel ‘nepnieuws’ te onderzoeken, maar er is bij mijn weten nog niet één rapport verschenen dat overtuigend aantoont hoe nepnieuws een enig effect heeft gehad op de publieke opinie, laat staan een verkiezingsuitslag. De conclusies van al die onderzoeken zijn meestal nogal relativerend. Zeker, met behulp van hackers, dark posts, keyboardarmies en trollbots (het vocabulaire lijkt afkomstig uit Star Trek) is het mogelijk, en zelfs vrij makkelijk, om onder specifieke doelgroepen valse informatie te verspreiden, maar hoe erg is dat eigenlijk? Nepnieuws is om te beginnen niets nieuws.  Dat journalisten geacht worden feit en fictie te scheiden is een vrij recente afspraak, tot halverwege de negentiende eeuw bestond dat onderscheid in proza niet. Niet voor niets werd het Engelse woord voor roman, novel, afgeleid van het Franse woord voor nieuws.  In Nederland hadden wij in de jaren zeventig en tachtig bijvoorbeeld ooit de ‘Nieuwe Amsterdammer’, een weekblad opgericht door de geniale, charismatische fabulant Peter Muller. In de Nieuwe Amsterdammer kon je lezen over de talrijke gevallen van spontane menselijke ontbranding die zich in Nederland afspeelden, zonder dat de andere media daar ooit ruchtbaarheid aan gaven. Ook de woon- of verblijfplaats Elvis Presley was een vaak terugkerend item. Ik kocht wel eens een exemplaar van dat blad, maar in de tas waarmee ik de kiosk verliet zaten dan meestal nog wat andere tijdschriften, zoals VN, Elsevier, De Groene, The Economist, Newsweek, Time of de Nouvel Observateur, en mogelijk ook een Panorama of een Autoweek. En over het soortelijk gewicht van die verschillende titels had ik weinig twijfels. Zo gaat het met het ’nepnieuws’ van vandaag dus ook ongeveer. Het meeste fake news komt terecht bij een kleine groep (rechts georiënteerde) lezers, die daarnaast ook heel veel ‘hard’ nieuws consumeren (zie dit onderzoek) Wie makkelijk om de tuin te leiden is of in sprookjes wil geloven, waarom zou zo iemand veel hard nieuws lezen? Van mensen met extreme opvattingen is bovendien bekend, dat zij in het algemeen weinig vatbaar zijn voor nieuwe informatie, zij zoeken vooral bevestiging voor hun reeds ingenomen standpunt. Dat is de behoefte waaraan het meeste nepnieuws tegemoet komt. Het zet mensen niet aan het denken, het legitimeert niet-denken.

MACEDONISCHE KWAJONGENS

‘Nepnieuws’ betekende van oorsprong: schokkende, volledig verzonnen ‘nieuwsberichten’ die op internet viraal gaan, vooral via Facebook, zodat ze geëxploiteerd kunnen worden als reclamevehikel. Een van de oudste voorbeelden is een groepje Macedonische kwajongens die deze truc in 2016 ontdekten. Zij waren niet politiek gemotiveerd, dat hun fakeberichten over de Amerikaanse verkiezingen gingen, was omdat die op dat moment gaande waren, veel aandacht trokken en dus het effectiefste virale vliegwiel vormden. Alt-Right activisten namen de truc over en zetten hem in voor propagandadoeleinden. Hillary Clinton signaleerde het verschijnsel en muntte de term ‘fake news’. En inmiddels is het de roepnaam geworden voor allerlei vormen van informatie die deze of gene groep om deze of gene reden niet welgevallig is.
De onlangs verschenen EU-studie Information Disorder van Clare Wardle en Hossein Derakhshan probeert wat orde in de begripsverwarring te scheppen. Zij onderscheiden drie vormen van problematische informatie: misinformation, disinformation en malinformation. Maliformation is niet noodzakelijkerwijs incorrect, maar wel schadelijk. Lekken, intimidatie, haattaal. Misinformation is onjuiste informatie, maar niet verspreid met kwade bedoelingen. Een bonafide krant zit er per ongeluk ernaast, De Speld verzint iets terwille van een grap.  Al die varianten worden nu aangeduid als ‘nepnieuws’.

Maar waar het om gaat is disinformation, sensationele, onjuiste informatie die met opzet wordt verspreid om een persoon, organisatie of land te schaden. Een compleet gefingeerde voorpagina van Le Soir, met onthullingen over Macron’s geheime relatie met Saudi Arabië. Een geshopte foto van Alexander Pechtold die deelneemt aan een pro-sharia demonstratie, verspreid door Geert Wilders. Het bericht dat Paus Franciscus de Amerikaanse katholieken oproept om op Donald Trump te stemmen.

HET KREMLIN IN BRUSSEL

Dat de verwarring groot is blijkt wel uit het werk van de Europese taskforce tegen desinformatie EUvsDisinfo, die, terwijl ze een paar deuren verderop in Brussel dus vrij goed weten hoe het zit, gewoon alle informatie over Rusland en Oekraïne waar de EU het niet mee eens is, aanmerkt als ‘disinformatie’. Zoals Donald Trump, dus eigenlijk. ‘Amerika plant een invasie van Iran,’ schreef Inside Russia. ‘Desinformatie’, schrijft de taskforce ‘het is slechts één van de mogelijkheden’. Huh? Is dat een ‘weerlegging’ van ‘nepnieuws’? En dat is maar één voorbeeld, op de website van EUvsDisinfo wemelt het ervan en zijn de echte gevallen van ‘disinformatie’  ver in de minderheid. Brussel start een platform tegen desinformatie, hekaas bestaat het voor een belangrijk deel uit malinformatie. Zoals de Leidse journalistiek-docent Alexander Pleijter opmerkte: ‘De EU gaat propaganda te lijf op dezelfde manier als de Russen, ironisch genoeg’.

De meest enthousiaste gebruiker van de term ‘nepnieuws’, en zeker de invloedrijkste, is Donald Trump. Als íets Trump niet interesseert dan is het semantiek. Feiten, opinies, statistieken, namen, data, aandelenkoersen, werkloosheidscijfers, tijdstippen, jaartallen, windrichtingen, geografische coordinaten, IQ-scores, sportuitslagen, schoenmaten, het maakt niet uit, als informatie Trump om wat voor reden dan ook niet aanstaat, is het fake news. Terwijl het meestal nepnieuws is dat wat hij nepnieuws noemt nepnieuws is.
‘Mijn grootste zorg op dit moment is het soort berichtgeving dat wij nu zien over desinformatie,’ zegt Clare Wardle, een van de auteurs van Information Disorder. ‘Mensen zeggen: ik weet niet meer wíe ik moet vertrouwen, alles is kapot. Ik ben bang dat de manier waarop wij over dit onderwerp praten meer schade doet dan de oorspronkelijke desinformatie waar het om ging. Dit is een zeer complex probleem, en als wij willen proberen te bepalen wat wij eraan kunnen doen, moeten we om te beginnen heldere definities hebben.’

DE WC-EEND

De mens lijdt het meest aan het lijden dat hij vreest: de angst voor en het geloof in nepnieuws is misschien wel gevaarlijker dan nepnieuws zelf. Zoals slechte economische berichten knagen aan het consumentenvertrouwen, knaagt de angst voor nepnieuws aan ons vertrouwen in ál het nieuws. Aan het functioneren van de media schort van alles, maar desondanks wordt ‘het nieuws’ door de meeste mensen nog als redelijk betrouwbaar beschouwd. Als het nieuws bekend maakt dat er een regeerakkoord is gesloten, dan ís dat hoogstwaarschijnlijk ook zo. Als het nieuws bericht dat er een touringcar van een viaduct is gevallen, dan is dat in 99 van de 100 gevallen inderdaad gebeurd. Als het nieuws bericht dat de AEX met 900 punten gezakt is, dan kunnen wij ervan op aan dat hij nu 900 punten lager staat dan gisteren. De essentie van ‘nieuws’ is dat het waar is, en dus niet ‘nep’. ‘Nepnieuws’ is niet de sterrenchef die heimelijk junkfood verkoopt, nepnieuws is junkfood dat verkocht wordt onder de naam van een sterrenchef. Door oplichters. Dat de mainstream media zoveel aandacht besteden aan het ‘nepnieuws’, terwijl het een marginaal en ongevaarlijk verschijnsel is (de NOS ruimte er onlangs een hele televisieavond voor in) is denk ik vooral omdat het zo prettig afstraalt op hun eigen statuur als betrouwbare, bonafide nieuwsbron. Het is de WC Eend: ‘Wij van het harde nieuws adviseren hard nieuws.’

Maar het is nog de vraag of de serieuze media zichzelf een dienst bewijzen met al die aandacht voor ‘nepnieuws’. De suggestie dat ‘het nieuws’ uit leugens bestaat is precies waar de verspreiders van mis- en desinformatie op uit zijn: het zaaien van verwarring en desoriëntatie, zodat het publiek op een gegeven moment niet meer weet wát het moet geloven. In een strafzaak moet je als verdediger ‘reasonable doubt’ zaaien, redelijke twijfel, in de publiciteit is onredelijke twijfel al genoeg. Je begint met het in omloop brengen van verzonnen nieuwsberichten. Die verzinsels zijn zo extreem, evident en flagrant – Hillary Clinton runt een pedonetwerk vanuit een Washingtonse pizzeria, dat werk- dat zij nationaal de aandacht trekken. Hierdoor ontstaat een discussie over ‘nepnieuws’. En vervolgens gebruik je die term voor elke bron, elke snipper informatie, elk bericht dat je in diskrediet wilt brengen. Na een tijdje staat iedereen over en weer heel hard ‘nepnieuws, nepnieuws!’ te roepen. Mission accomplished. Als het een vooropgezette strategie was, zou het geniaal zijn.
Wie solide, betrouwbare nieuwsvoorziening op prijs stelt, schrapt de term ‘nepnieuws’ uit zijn vocabulaire.